Adieu (pdw)

Posted: February 20, 2013 in Uncategorized

Patrick De Witte is niet meer.

Patrick was veel: schrijver, televisiemaker, drummer, connaisseur van komieken over de hele wereld, kampioen in het bedenken van spitse over-the-top vergelijkingen, creatieve duizendpoot, schenenschopper par excellence en nog veel meer. Begenadigd met een zeer scherpe pen, een oor voor comedy en een feilloos gevoel voor sarcasme, liet hij Vlaanderen regelmatig in de lach schieten door datzelfde lapje grond tegelijkertijd een spiegel voor te houden.

Zijn afscheid doet me wat, meer dan ik had verwacht. We kennen elkaar al lang. Of beter: hij kende me al lang, aangezien mijn ouders (vooral mijn vader dan) een trouwe bezoeker was van het door zijn ouders uitgebate café. Als kleine pagadder heb ik daar een aantal keer rondgelopen. Ik werd me bewust van wie hij was ten tijde van de Skyblasters, maar leerde hem maar echt appreciëren op latere leeftijd, toen ik mijn eigen voornaam was beginnen maken.

Ik herinner me nog een avond, ten tijde van de opnames van Comedy Casino in het ICC. Het was al een tijdje geleden dat we elkaar gezien hadden. Ik stapte naar hem toe en werd hartelijk en oprecht enthousiast begroet. We kletsten wat bij, tussen twee takes door. Het gesprek kwam uit op vaders en hij zei plots, out of the blue, “vind je ook niet dat, naarmate je ouder wordt, een man’s kruis steeds meer begint te ruiken zoals dat van zijn vader?”. Ik stond met mijn mond vol tanden. Het was Patrick ten voeten uit.

Maar mijn beste herinnering aan hem is ongetwijfeld de avond die mijn echtgenote en mezelve, samen met Koen Fillet en zijn wederhelft, bij Patrick gespendeerd hebben ten tijde van #baardbod. Ik was immers de gelukkige winnaar van Koen Fillets baardhaar – ja, zotte buien en mezelve, we do tend to meet occasionally. Patrick had het een en ander via Twitter gevolgd en had als extra prijs een couscous royal bij hem aangeboden. En zo geschiedde. Het werd een waarlijk memorabel avondmaal, met laten we er eerlijk in zijn, Patrick in een glansrol. Hij vertelde honderduit over zijn leven, zijn familie (zijn liefde voor zijn vrouw en kinderen was gewoonweg tastbaar), zijn ontmoetingen, zijn ervaringen, zijn genot van alcoholische dranken, zijn missers (het enige moment waarop er spijt in zijn stem doorklonk was toen hij het had over zijn projecten die niet waren doorgegaan wegens net te vroeg dan wel door anderen gekaapt). Het een en ander duchtig doorspekt ende gekruid met een resem oneliners (hij schudde ze uit zijn mouw zoals de NMBS excuses vindt voor vertragingen). Voeg er nog een heerlijke couscous aan toe en de avond is voor immer in mijn geheugen gegrift.

Los van het verlies van een maat, valt ook het verdwijnen van een authentiek man te betreuren. Het is heden ten dage een wat verguisd woord, maar Patrick was authentiek, oprecht, consequent. Wat je ook deed, als je er maar in geloofde, dan had je Patricks steun. Hij was een goed man, nooit beroerd om anderen met raad en daad bij te staan. Het is opvallend hoeveel mensen op Facebook getuigen dat Patrick hen geholpen heeft en hen zijn vriendschap geschonken heeft. En hij was dankbaar. Mijn vader had hem ooit geholpen in tijden toen een degelijk statuut voor een artiest nog een verre toekomstdroom was. Patrick schroomde er zich niet voor om daar zijn dank voor te uiten, zelfs twintig jaar later.

En tenslotte speelt ongetwijfeld ook mee wat Lieve Van De Velde zo mooi verwoordde in DS van vandaag:

“Het is het soort nieuws dat een mens altijd even terugwerpt op zijn egoïstische existentiële ik. En op de onvermijdelijke gedachte: als zo iemand, zo sterk, zo geniaal, zo begeesterd al zo onverhoeds door de Dood verslagen wordt, waar sta ik zelf dan?”

Adieu Patrick,het ga u goed. Moge uw welverdiende rijstpap door de nodige #muskatnuss gekruid worden en de Duvels voor eeuwig rijkelijk vloeien!

Gisterenavond heb ik met veel plezier en emotie de (animatie-)film /documentaire “Couleur de peau: Miel” gezien, geregisseerd door Jung en Laurent Boileau.

“Couleur de peau: Miel” vertelt het autobiografisch verhaal van Jung, geboren in Korea, hoogstwaarschijnlijk verlaten door zijn moeder waardoor hij, na de nodige omzwervingen (incluis het doorsnuisteren van vuilnisbakken op zoek naar voedsel) op vijfjarige leeftijd in een weeshuis terechtkomt. Na aldaar op krachten gekomen te zijn en de nodige medische tests doorstaan te hebben, wordt een stempel “approved for adoption” (de Engelse titel van de film overigens) op zijn dossier gezet en is hij dus beschikbaar op de adoptiemarkt.

Het toeval wil dat hij door een Belgisch gezin geadopteerd wordt. Niet dat zijn nieuwe vader en moeder enige conceptieproblemen hadden, aangezien Jung terechtkomt in een gezin van vier. We spreken 1971. Blijkbaar was het toen overigens bon ton om een Koreaans weesje te adopteren, aangezien in zijn dorp een tiental lotgenoten terechtkomen. Zoals de verteller met onverholen cynisme meegeeft:

“Certains achetaient une nouvelle voiture, d’autres adoptaient un petit Coréen. Seulement …la deuxième option nécessitait plus d’entretien.”

De film volgt Jung doorheen zijn jonge jaren (ruw geschat van zijn 5e tot zijn 20e levensjaar) en geeft weer hoe Jung tussen twee werelden zit, zonder zich echt ergens thuis te voelen. Hij verwerpt zijn Koreaanse achtergrond (en leunt zelfs een hele tijd aan bij de Japanse cultuur, hetgeen tot enkele hilarische scènes aanleiding geeft) en voelt zich tegelijkertijd ook geen Belg. Het helpt daarbij uiteraard niet dat men hem te pas en te onpas “het Aziaatje” toeslingert als weinig liefhebbende koosnaam. Zelfs zijn adoptiemoeder bezondigt zich daaraan in een beklemmende scène.

Hetgeen ons tot het centraal thema van de film brengt: de zoektocht naar de moeder(liefde). Jung schippert tussen een biologische moeder die hij zich niet meer kan herinneren maar die hij idealiseert en een zeer aanwezige doch van nature uit eerder kille en zakelijke adoptiemoeder. Het levert waarlijk beklijvende cinema op.

Het verhaal neemt je mee doorheen die prille jaren van de inmiddels 44 jarige Jung (die af en toe in beeld komt overigens) en je kijkt, gefascineerd hoe die jonge gast zich ontwikkelt, worstelt met zijn puberteit zoals elke tiener, verliefd wordt, lust voelt, vrienden heeft en ruzie maakt, maar dat alles nog eens extra uitvergroot door zijn adoptieverleden. “Est-ce que tu me considères vraiment comme ma soeur?“, vraagt hij, door twijfel doordrongen, op een zeker ogenblik aan zijn zus (haar antwoord laat ik u zelf ontdekken!). Beklijvend, ik opperde het reeds.

Dat de film zich aan uw ziel opdringt, is zeker ook te danken aan zijn visuele stijl. “Couleur de peau: Miel” mengt immers het ‘normale’ filmwerk met oude 16 mm filmpjes (authentieke familiefilms van de familie Jung) met – veel – animatiescènes. Een animatiestijl die enkele minuten aanpassing vergt, maar eenmaal die kaap genomen, zeer natuurlijk aanvoelt. De overgang tussen de drie stijlen is bijzonder vlot, de verschillende media vloeien waarlijk in elkaar. Al snel maak je geen onderscheid meer tussen de geanimeerde Jung, de 16 mm Jung dan wel de gewoon gefilmde Jung. Het zijn drie facetten van eenzelfde persoon.

Het voordeel van animatie is bovendien dat je bepaalde gebeurtenissen krachtig kan verbeelden. Metaforen worden dan ook niet geschuwd. Wanneer iemand Jung met een rotte appel vergelijkt, laat de animatie toe om dat tot een visuele stomp in de maag om te toveren. En Jungs nachtmerrieachtige terugblikken naar zijn bestaan als Koreaans straatkind zullen u gegarandeerd bijblijven.

Maar “Couleur de peau: Miel” is niet alleen het specifieke verhaal van Jung, het toont ook aan hoe hij maar een van de 200.000 (!)  Koreaanse weeskinderen is die overal ter wereld zijn gedropt. Hoe ze bijna allemaal gevochten hebben met hun dubbele identiteit. En hoe velen die strijd ook verloren hebben en abrupt een einde aan hun bestaan hebben gemaakt.

Kortom, “Couleur de Peau: Miel” is meer dan de prijs van zijn entreeticket waard. Aangezien – zoals maar al te vaak met Belgische Franstalige films – ook deze film van een veel te beperkte verdeling geniet, zou ik u tot de nodige haast durven aanporren. Hij speelt zelfs in de Gentse Sphinx. Doe uzelf (en een van de weinige cinema-uitbaters die nog geen deel uitmaken van een keten) dus een plezier en neem deze film tot u!

 

Uitsmijter: de trailer.

 

 

En daarmee kwamen we dus aan bij wat men in de Middeleeuwen een herberg zouden genoemd hebben: The Pod Hotel. Het was een goed hotel en ik durf het, met een paar nuances, aanraden. Pluspunten waren netheid, ligging (op wandelafstand van het stadscentrum), vriendelijkheid van het personeel en buurt. Relatieve minpunten waren de prijs (we dachten dat het eerder goedkoop was, maar het zou blijkbaar mogelijk zijn om voor een gelijkaardig budget een nog beter hotel te vinden), de “grootte” van de kamers (we hadden gelukkig een Queen-size bed hetgeen resulteerde in net die broodnodige extra m2) en vooral het geluid. De deuren en muren zijn aan de eerder dunne kant, zodat de ligging van de kamer een kapitale rol speelt. Wij zaten eerder verder op de gang, maar er bleken ook een aantal kamers te zijn die op de lift uitgaven. Met als gevolg dat de bewoners van die kamers niet alleen konden genieten van een luid getsjangel telkenmale de liftdeur openging, doch ook van een minuut (of meer) muzikaal intermezzo uit de liftboxen. Rekening houdend met het feit dat in dergelijke hotels het de hele dag (en nacht) door een va-et-vient van jewelste is en ik kan u verzekeren: hadden wij een van die kamers toegewezen gekregen ik zou binnen het half uur aan de receptie gestaan hebben om een beter gelegen kamer te bedingen. Onthoud dus dat, als u ooit in The Pod Hotel wenst te logeren, u best op voorhand een rustige kamer vraagt, ver van enige liftdeur.

Eenmaal ingecheckt en de kleren half uitgepakt trokken we erop uit, New York in! Woe ende hoe!

Het grote voordeel van New York is dat je weg bijzonder gemakkelijk vindt in genre 80 % van de stad, gelet op het gebruik van Avenues die van Noord naar Zuid trekken en die gekruist worden door van Oost naar West gaande lineair doorgenummerde straten  (Wij zaten in 51st street bijv.). U hoeft dus geen wildvreemden aan te spreken om te weten waar straat Huppeldepup dan wel het Exotisch Naam Steegje terug te vinden is. Een minimale kennis van wiskunde (genre: tot 100 kunnen tellen is ruimschoots voldoende) volstaat om in het gros van de stad uw bestemming te kunnen bereiken. De overige 20 % van de stad zijn van het eerder klassieke genre (kronkelende straten met gevarieerde namen), maar dan dienen dan ook de straatplannen voor.

Wat mij onmiddellijk opviel was hoe groot de gebouwen in New York zijn. Als je daar rondloopt begrijp je waar de term wolkenkrabber vandaan komt. Vergeet de gebouwen die ons straatbeeld sieren! Die verhouden zich als een pygmee met dwergneigingen die sinds zijn geboorte in een strak korset is geduwd opzichtens een uit de kluiten gewassen NBA-basketter die als training dagelijks een halfuur uitgerokken wordt door twee Russische aan amfetaminen verslaafde bodybuildsters . In bepaalde straten voel je je echt nietig. Al even opvallend daarbij is dat sommige gebouwen klaarblijkelijk ooit boven New York getorend moeten hebben om nu in het niets te verzinken bij hun jongere buren die nog tweemaal zo hoog gebouwd zijn. Voeg er nog regelmatig wat grensverleggende architectuur aan toe en eenvoudigweg rondlopen in de New Yorkse straten is op zich al een waar plezier.

Na een snelle hap in een healthy food keten (ik dacht “Fresh foods”) en twee Dafalgans later (vermoeidheid oblige) komen we aan bij de Rockefeller tower. De uitleg die je in het gebouw krijgt is niet zo spectaculair (alhoewel het eens te meer duidelijk wordt dat de wereld een enorme nood heeft aan visionaire mensen die tegen de stroom in durven roeien) maar het zicht bovenaan de 72e verdieping is het des te meer. Je torent hoogt boven New York uit en het zicht is fe-no-me-naal. Puur genieten. Waar je ook kijkt, zie je fantastische gebouwen, je hebt een schitterend zicht over Central Park en als mieren krioelen de New Yorks overal naar hun respectievelijke bestemmingen heen.

Grote kerken verzinken daarbij in het niets. Proof:

Absolute aanrader!

Na weer op zeeniveau nedergedaald te zijn, hebben we nog een uur of twee rondgewandeld om New York nog meer “tot ons te nemen”, gaande van de randen van Central Park, langs de Apple Store (aka de tempel van het kapitalisme – meer daarover in een latere post) en de diverse Avenues. Des avonds zijn we, na een opfrissing in de hotelkamer, naar een restaurant geweest waarvan de naam me nu even ontglipt, maar die helaas in de categorie ‘veel geld voor weinig eten’ viel. Het was voorwaar lekker (weze het niet uitzonderlijk) maar, u had het geraden, een kleine portie voor veel geld. Gelukkig zou de rest van de week voor de nodige culinaire hoogtepunten zorgen!

Nog dit. Toen ik bovenaan de Rockefeller toren stond, drong het tot me door over welke ongelofelijke mogelijkheden wij heden ten dage beschikken. ‘s Ochtends om 10 u in Brussel vertrekken om rond 15 u (weliswaar met het tijdsverschil) bovenaan de Rockefeller toren te staan. Dat alles aan een prijs die voor een groot deel van de maatschappij betaalbaar is. Bovendien kan je met je smartphone een foto nemen en die onmiddellijk online pleuren zodat je vrienden en kennissen in real time jouw ervaringen delen. Vooraleer u hier schouderophalend op reageert, besef dan dat zelfs het grootste fortuin ter wereld dit amper vijftien jaar geleden niet had kunnen doen. Nu kan eenieder (voor weliswaar een paar honderd euro) dergelijke technologie binnenhalen. Veeleer dan te klagen over een internetverbinding die wat langzamer gaat dan verwacht (ik nodig u met plezier uit naar begin de jaren ’90 alwaar inbelmodems heer en meester waren en het downloaden van de minste foto een engelengeduld vergde) zouden we beter eens stilstaan bij de quasi onbeperkte opties die ons aller ter beschikking staan.  We truly are a blessed generation!

En zo kwam het dat we op een eerder druilerige zaterdagmorgen – 12 mei 2012 om precies te zijn – het vliegtuig richting New York namen.

We kozen voor Jet Airways, economy class. Globaal gezien een goede ervaring: vrij ruime zetels (weliswaar nog steeds net iets te krap voor mijn lengte, maar dat ben ik onderhand gewoon geworden), uitvoerige in house entertainment, redelijk eten (wel weinig te drinken, je moest uitdrukkelijk om een extra drankje vragen) en vriendelijke staff. Tijdens de vlucht heb ik me onledig gehouden met Contagion (vrij nietszeggende film vol met plotholes), drie afleveringen van seizoen 19 van The Simpsons (blijft goed zelfs na al die tijd) en het nodige ‘studiewerk’ voor F.A.C.T.S., met name vijf afleveringen van The Big Bang Theory (hap slik weg materiaal met net iets teveel stereotype personages om echt goed te zijn, maar toch vlot verteerbaar).

Een goede acht uur en een al bij al vlotte landing later, werden onze poezelige voeten op Amerikaans grondgebied neergepoot. A small step for me and an even way smaller step for mankind, but hey whatever. USA! Land of the free!

Dat van die “free” mag al onmiddellijk met een korrel zout genomen worden, want we moesten door de douane en paspoortcontrole heen. Op voorhand waren we uit den treure verwittigd: géén grapjes maken, rustig blijven, het gaat lang duren, niet protesteren of je vliegt illico presto terug naar huis. Zelfs het Ministerie van Buitenlandse Zaken geeft de volgende reisaanbeveling mee:

Om eventuele onaangename situaties te vermijden, zoals tijdelijke opsluiting aan de grens of terugzending met de eerstvolgende vlucht naar land van herkomst, is het raadzaam om in alle omstandigheden de zelfbeheersing niet te verliezen en de regels van beleefdheid te respecteren. Weerstand bieden heeft geen zin en heeft vaak enkel een averechts effect.

Dat beloofde… Met bovenmenselijke kracht verdrong ik mijn legendarisch humorgevoel (“kwantiteit, niet kwaliteit!”) en schoven we aan. Amper een kwartier later waren we er al door. Dat ging bijzonder vlotjes. Het luchthavenpersoneel was weliswaar eerder aan de norse kant, maar soit, daar kan ik mee leven. Wat ik een stuk vervelender vond, was dat er vingerafdrukken genomen worden én gezichtsfoto’s (net geen mugshots). Echt welkom voelt men zich zo toch niet en ik vind het een wat minder fijne gedachte dat dergelijke toch uiteindelijk hoogstpersoonlijke informatie (identity theft anyone?) zich op hopelijk degelijk beveiligde computers in de USA bevinden.  Maar bon, it’s part of the deal en we wisten dat het op het programma stond.

USA dus! We scoorden vlotjes een taxi die bestuurd werd door een Haïtiaan – zo vernamen we toch na het betere gis- en gebarentaalwerk. De conversatie van de brave man bestond uit “traffic!” en “what a day”. Waar zijn die inburgeringscursussen wanneer je ze nodig hebt? Correct that: zijn beperkte kennis van het Engels stoorde me een stuk minder dan zijn “rijkunst”. Onze chauffeur van dienst vond er niet beter op dan telkenmale de auto voor ons tien meter vooruitgang had geboekt vol gas te geven en vervolgens zijn remmen dicht te gooien. Doe dat een uur lang in een file in een veel te warme auto en de slogan “New Yorkse taxi’s, nu met gratis zeeziekte” kwam spontaan opdwarrelen.

Maar dat alles mocht de pret niet durven! New York, we had made it there (so we could now make it anywhere, hah!). Na een uurtje gas geven/remmen kwamen we toe in ons hotel… maar dat, beste kijkbuiskinderen, is voer voor de volgende episode!

Het was ergens, dacht ik, in december van vorig jaar, tijdens een maaltijd in ‘Chez Henri’ samen met een koppel vrienden, dat plots een wild idee op tafel werd gegooid: waarom zouden we niet samen een week naar New York gaan?

Aansluitend op dat idee kwam een mail in januari onze inbox binnengedwarreld: Jet Airways bood een interessante promotie aan voor een reis in mei. Snel beslissen was de boodschap. En er werd dus snel beslist en tickets geboekt. Zodanig snel zelfs dat we niet eens op voorhand checkten of de grootouders wel beschikbaar zouden zijn om voor onze kinderen te zorgen. Bleek – nà het boeken – dat ze zelf reisplannen hadden… Grootouders die een eigen leven hebben, waar gaan we naartoe, ik vraag het u! Gelukkig bleek enig gegoochel met de respectievelijke agenda’s voldoende om het probleem op te lossen.

New York here we’d come! Naarmate de reisplannen aan derden werden onthuld, werden we overspoeld met enthousiasme, half jaloerse blikken en tonnen tips, suggesties, must sees, culinaire aanraders tot volwaardige weekplanners. U weze allemaal van harte bedankt!

De meeste intrigerende reactie die ik mocht ontvangen was “C’est la première fois que tu vas à NY? Tu verras, tu y retourneras”. Mijn nieuwsgierigheid was nog meer gewekt!

We zijn net terug met een heerlijke mix van fantastische herinneringen, schitterende ontdekkingen, hilarische momenten, weliswaar op een wat zwaar op de maag liggende saus van jetlag, maar dat kan de pret niet drukken.

Staat u mij dus toe om u in de komende blogposts mee te nemen doorheen een week in New York, de dingen die we bezocht hebben, de zaken die we ontdekt hebben, maar ook – en ergens misschien vooral – de bevestiging en ontkenning van ideeën die ik had over Amerika, over Amerikanen, hun leefwereld, hun gewoontes, hun zijn. Van obesitas tot a nation of fear, van het MET tot de Frick Collection, van The Spice Market tot a small coke in de cinema, van race segregation tot sanitary inspection, dat alles en veel meer vanaf morgen op dit kanaal.

Stay tuned!

Het Hof van Cassatie heeft op 6 maart een principe-arrest geveld dat bloggers een quasi-immuniteit garandeert door de te beslissen dat de persvrijheid niet alleen op de gedrukte pers slaat, doch ook op meningsuitingen via het Internet.

 

Alvorens op de implicaties van deze beslissing in te gaan, een korte historiek: de grondwetgever van 1831 wou komaf maken met een aantal aberraties van het Nederlandse regime dat de pers grotendeels gemuilkorfd had. Om een herhaling hiervan te vermijden werden twee principes in de grondwet ingeschreven: de persvrijheid enerzijds en de verplichting om drukpersmisdrijven door een assissenhof te laten beoordelen anderzijds.

Wat het eerste principe betreft, stelt artikel 25 Grondwet letterlijk: “De drukpers is vrij; de censuur kan nooit worden ingevoerd.” waarna het principe van de getrapte aansprakelijkheid wordt uiteengezet: “Wanneer de schrijver bekend is en zijn woonplaats in België heeft, kan de uitgever, de drukker of de verspreider niet worden vervolgd.” Dit principe houdt in dat men enkel de auteur (voor zover bekend en in België woonachtig) kan aanspreken voor eventuele drukpersmisdrijven zonder dat de uitgever, drukker of de verspreider kunnen worden lastig gevallen. De grondwetgever van 1831 wou daarmee vermijden dat de uitgevers, uit schrik vervolgd te worden, zelf censuur zouden uitoefenen op de stukken van hun auteurs. Dit principe is weliswaar in de loop der decennia enigszins genuanceerd door de rechtspraak (bijv. wanneer de uitgever zelf een fout maakt), doch houdt op heden globaal nog steeds goed stand.

Het verbod op preventieve censuur maakt ook nog steeds een hoeksteen uit van de persvrijheid in België. Een deel van de rechtspraak was in de laatste decennia wat van het rechte pad afgedwaald (door alsnog in sommige gevallen een publicatie te verbieden nog voor ze verschenen was), doch een recent arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft uitdrukkelijk bevestigd dat de preventieve censuur in België niet door de beugel kan. Enkel de preventieve censuur is verboden. Men kan immers na verschijning nog steeds vragen dat een bepaalde publicatie uit de handel wordt gehaald.

Het tweede principe zit vervat in artikel 150 Grondwet, dat voorziet dat drukpersmisdrijven voor een Assissenhof moeten gebracht worden. Dit houdt de facto een quasi-strafrechtelijke immuniteit in, aangezien de assissenprocedures voor drukpersmisdrijven sinds 1831 – letterlijk ! – op de vingers van één hand te tellen zijn. Dat behoeft niet te verwonderen, aangezien een assissenprocedure niet alleen loodzwaar is (en de inzet van heel wat al te schaarse middelen vereist) doch bovendien is de kans groot dat de jury de kant van de journalist kiest. Een wetswijziging heeft hierop één uitzondering voorzien : drukpersmisdrijven die door racisme of xenofobie zijn ingegeven kunnen alsnog voor de correctionele rechtbank gebracht worden.

M.a.w., op strafrechtelijk vlak genieten traditionele journalisten (die voor papieren publicaties werken) van een quasi-immuniteit. Dit belet echter niet dat ze op burgerrechtelijk vlak kunnen gedagvaard worden in betaling van een schadevergoeding, voor zover de eisende partij maar aantoont dat (i) de journalist een fout heeft gemaakt, (ii) hij/zij schade heeft geleden en (iii) die schade rechtstreeks voortvloeit uit de eerstgenoemde fout. Er bestaat een zeer uitgebreide (en vaak boeiende) casuïstiek hierover die ik u even bespaar. U kunt zich al een eerste idee vormen door een aantal van mijn oudere posts te herlezen over “bloggen en recht” (deel 1; deel 2; deel 3; deel 4; deel 5; deel 6; deel 7).

 

Maar dat was toen. 1831. Toen de vogels nog fluiten konden en het internet louter fantasie was. Zouden die oude bepalingen ook op het internet van toepassing zijn of niet? Het antwoord was niet evident. Zo heeft het Hof van Cassatie  in het verleden beslist, hierin niet altijd gevolgd door de lagere rechtspraak overigens, dat radio en televisie geen drukpersmisdrijf uitmaakten en dus niet genoten van voormelde grondwettelijke bepalingen.

Welnu, in het alhier besproken arrest weigert het Hof van Cassatie een arrest van het Hof van Beroep te Gent te verbreken op motief dat:

1. Het middel voert schending aan van de artikelen 25 en 150 Grondwet: een meningsuiting via het internet is geen vorm van meningsuiting door middel van gedrukte geschriften en geniet bijgevolg niet van de bescherming van voormelde grondwettelijke bepalingen; het arrest oordeelt aldus ten onrechte dat de verspreiding van een strafbare meningsuiting via het internet behoort tot de exclusieve bevoegdheid van het hof van assisen. 2. Het middel dat ervan uitgaat dat enkel vermenigvuldiging en verspreiding van een strafbare meningsuiting door gedrukte geschriften een drukpersmisdrijf kan opleveren, faalt naar recht.

M.a.w., ook meningen die geuit worden via het internet (blogs, websites, enz.) genieten van voormelde grondwettelijke bepalingen: er mag geen preventieve censuur worden uitgeoefend en eventuele strafrechtelijke inbreuken dienen exclusief door het assissenhof te worden beoordeeld (behalve dus racistische misdrijven).

 

Zijn bloggers dan absoluut vrij om te schrijven wat ze willen? Neen. Zoals hierboven gezegd geldt er nog steeds het burgerrechtelijk luik (met dus schadevergoedingen die kunnen toegekend worden), kan nog steeds achteraf gevraagd worden dat een opinie / artikel / blogpost verwijderd wordt én staan inbreuken op intellectuele eigendomsrechten (auteursrechten bijv.) hier los van.

Maar dat het strafrechtelijk Zwaard van Damocles van boven het hoofd van de bloggers verwijderd is, kan slechts een zeer positieve stap genoemd worden!

 

Bron: Cass., 06/03/2012, zaak P.11.0085.N, onuitgegeven (zie http://www.cass.be) – Voorhoof, D., “Weblogs en websites zijn voortaan ook ‘drukpers’, Juristenkrant, 246, blz. 4

 

A coward.

Posted: March 8, 2012 in Ramblings

A coward is someone who every day regrets how he acted  yesterday, all the while promising he’ll definitely change … tomorrow.

Confront your fears. Today.